Cancel Preloader

Casus: gemaal en verbreding watergangen in weiland

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) over een gedoogplicht ten behoeve van het watergebiedsplan “Landbouwgebied rondom Nieuwveense Landen” (10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1371) is het volgende aan de orde. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft een gedoogplicht opgelegd ex artikel 5.24 Waterwet ter realisering van een gemaal en verbreding van watergangen. Het ‘getroffen’ melkveebedrijf moest permanent 0.53.21 hectare en tijdelijk 3.31.86 hectare missen.

Tellen alle eigendommen mee? Of slechts aaneengesloten percelen?

De Afdeling beschouwt die oppervlakte(n) in het licht van het totale oppervlak dat de rechthebbende in eigendom heeft, namelijk ongeveer 110.00.00 hectare. Gelet op de Afdelingsjurisprudentie is het niet verrassend dat de Afdeling oordeelt dat de gedoogplicht in stand kan blijven, nu de belaste perceelsgedeelten relatief klein zijn.

Dat echter onder de veronderstelling dat de totale oppervlakte ten behoeve van het melkveebedrijf wordt gebruikt. Als de belaste perceelsgedeelten bijvoorbeeld 50% zouden uitmaken van een (veel) kleiner areaal dat voor een aparte exploitatie werd gebruikt, zou het moeilijker uit te leggen zijn dat de gedoogplicht werd opgelegd. Dan zou vermoedelijk sprake zijn van een ‘bijzondere omstandigheid’ die de bruikbaarheid van de rest van het perceel sterk doet verminderen. Zie ook de eerdere Afdelingsjurisprudentie (16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2894 en 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3668) waarin consequent in Waterwet-gedoogplichten het totale grondoppervlak wordt bezien.

In dit verband is het opmerkelijk dat het waterschap in de besluitvorming over de gedoogplicht heeft overwogen dat de ‘aaneengesloten’ percelen van de rechthebbende samen 78.62.21 hectare groot zijn. Daarbij werd expliciet bepaald dat andere percelen van de rechthebbende in de nabijheid zijn gelegen, maar (toch) niet werden meegeteld bij de totaaloppervlakte. Van die ‘aaneengesloten’ oppervlakte uitgaand, zou de gedoogplicht vermoedelijk ook stand hebben gehouden. Het zou in het licht van deze besluitvorming evenwel interessant zijn om te weten wanneer en waarom het aspect ‘aaneengesloten’ is verlaten en men heeft omgezien naar het totale grondoppervlak.

Tip

Het zou praktisch zijn om bij het beoordelen van gedoogplichten (op grond van welke wet dan ook) niet te focussen op ‘aaneengesloten’ of het ‘totale oppervlak’ van de rechthebbende, maar om te bezien hoe groot het exploitatieobject is waarin het met een gedoogplicht belaste perceelsgedeelte is gelegen. Toegegeven, men kan dan bediscussiëren wat onder de ‘exploitatie’ valt. Maar wat dat betreft is reeds voldoende ervaring opgedaan in het onteigeningsrecht, meer specifiek bij het bepalen van de waardevermindering van het overblijvende (zie artikel 41 onteigeningswet en HR 21 december 1960, NJ 1961/115 (Van den Hoek/Ridderkerk)).